De Ware

Na het passeren van de Hongaars-Roemeense grens kwam ik terecht in de achterbuurten van de grensstad Arad. Een gebrek aan bewegwijzering zorgde ervoor dat ik het spoor totaal bijster raakte in een omgeving die me deed denken aan de Middeleeuwen. Even beangstigde me zelfs de gedachte dat hier misschien nog de pest heerste.
Vooraf was me veelvuldig gewaarschuwd voor alle gevaar dat me in Roemenië te wachten stond, variërend van agressieve bestuurders en dolle honden tot altijd stelende zigeuners. Van met name de gedachte aan diefstal werd ik bang, want niets uit mijn fietsbagage kon gemist worden.
Toen ik eenmaal de grotere weg teruggevonden had, bleek de achterstand van Roemenië op het westen zich te beperken tot enkele decennia in plaats van meerdere eeuwen. Timişoara, de stad waar in 1989 de revolutie tegen Ceauşescu was uitgebroken, leek zelfs niet ver achterop te liggen bij het zojuist verlaten Hongarije. De eerste avond werd me wel direct duidelijk dat ik als buitenlander nooit meer een maaltijd moest bestellen zonder de exacte prijs te vragen. De menukaart gaf de prijs per 100 gram aan en ik kon achteraf onmogelijk bewijzen slechts een kippepootje in plaats van ruim een kilo haan te hebben gegeten.
De eerste volle Roemeense fietsdag, van Timişoara naar Haţeg, zag ik overal mensen die op de buitenlandse buit uit waren. Als ik bij een winkeltje stopte voor wat inkopen, zette ik de fiets zo dichtbij de deur dat ik in één sprong de mogelijke belager bij zijn kraag zou kunnen vatten. Vooral de donkere zigeuners met hun kleurige hoeden, sjaals en wikkelrokken gaven me een onrustig gevoel, alsof kraaien het op mijn diamanten hadden voorzien. Naarmate de dag vorderde namen deze waanbeelden gelukkig af en toen ik, na een enorme wolkbreuk, onder een prachtige avondzon afdaalde richting Haţeg, voelde ik me bevoorrecht. 'Als ik vanavond nou ook nog vrouwenvlees in mijn handen kon hebben, zou het feest compleet zijn', bedacht ik. Gezien het late tijdstip gingen de primaire behoeften echter uit naar een overnachtingsplaats, eten en drinken.
'Een camping gaat u hier in de buurt niet vinden en het plaatselijke hotel is heel erg duur. Maar ik weet wel een speciale plek voor fietsers', zei de jongen die zich had voorgesteld als Gigi. Hij sprak verrassend goed Engels, zeker gezien zijn leeftijd van ongeveer zestien jaar. In de 190 afgelegde kilometers was ik vandaag geen enkele fietser tegengekomen en Haţeg leek op het eerste gezicht zelfs helemaal geen toeristen te ontvangen, dus maakte Gigi me zeer benieuwd naar 'the special place for bikers'.
Mijn nieuwsgierigheid bleek al snel niet ten onrechte, want Gigi leidde me door steegjes en paadjes langs afbrokkelende flats en rondhangende zigeuners. Eerder dan ik had gehoopt, zei hij: 'Hier is het, op de eerste verdieping. Zal ik uw fiets de trap opdragen?' Hij snauwde iets tegen een paar kinderen die wat al te gretig aan mijn fietstassen plukten en liep voor me uit de trap op, met de fiets van vierduizend gulden trots op de schouder. Alles was vervallen in het flatgebouw: de trap, de deuren, de verlichting, de vloer, de ramen, alles. Maar het stonk er niet. Door het gebrek aan verlichting had Gigi enige tijd nodig om aan het einde van de gang de juiste sleutel en het sleutelgat te vinden. Dit gaf mij een korte bezinningspauze, om bewust te overwegen of ik wel in dit soort avonturen verzeild wilde raken. 'Anders had je maar thuis moeten blijven', veel meer kwam niet in me op. Op dergelijke momenten hielpen vermoeidheid, honger en dorst, want risico's werden er sneller door opzij gezet. Bovendien gaf Gigi me op bijzondere wijze een goed gevoel. Wat overigens direct werd gerechtvaardigd door de kamer waar we in terecht kwamen: weliswaar heel leeg en daardoor weinig sfeervol, maar helemaal niet vies of vervallen.
Snel verkleedde ik me en hing ik de fietskleren en de nog natte spullen van de dag ervoor aan haakjes over mijn fiets. Slechts tien minuten later zaten we al aan een pizza, die weliswaar in niets aan een Italiaanse lekkernij deed denken, maar die gelukkig wel als een blok in mijn maag viel en daardoor de grootste fysieke onrust wegnam. Gigi vertelde intussen honderduit over het fietsen in en rond Haţeg. Hij waarschuwde me ook voor de onverbloemd geile blikken van de serveerster: de echtgenoot had kortgeleden haar minnaar in elkaar geslagen.
Bij terugkeer in de flat was de deur open. In de kleine kamer stond een lange, slanke vrouw.
'Mama, mama', zei Gigi, zenuwachtig met de handen gesticulerend, 'deze meneer is fietsend op weg naar Tibet.'
Ik stak mijn hand uit: 'Pascal.'
'Dorina', antwoordde de vrouw zonder me aan te kijken.
'En', ging ze verder richting Gigi, 'deze meneer gaat misschien naar Tibet, maar eerst naar de politie. Die is hier net geweest en heeft alles onderzocht, nadat ik hen had gevraagd te komen.'
Inderdaad was er gecontroleerd, want alle spullen waren uit de fietstassen gehaald en lagen wijd verspreid over de grond. Een snelle inventarisatie gaf me wel de geruststelling dat de agenten niets in hun zakken hadden gestoken.
Het bezoek aan de politie zorgde voor iets meer ontspanning op het gezicht van Dorina. Zelf vond ik het moeilijk om mijn lachen in te houden toen Gigi de agent aangaf dat het paspoort niet gelezen kon worden als het op zijn kop werd gehouden. Bovenal vond ik Dorina verschrikkelijk mooi. En dat werd nog veel sterker in het café waar we vervolgens wat gingen drinken. Daar werd me ook pas langzaam duidelijk wat 'the special place for bikers' was: het flatje waar Dorina en Gigi altijd hadden gewoond en dat ze, nu ze waren verhuisd, hadden aangehouden als een soort opslagruimte. Dorina kwam er gemiddeld nog slechts eenmaal in de drie weken, was er 's middags al geweest en was - om iets terug te brengen - later nog een tweede keer langsgegaan. Iets wat ze nooit eerder had gedaan: tweemaal op dezelfde dag langs het flatje. Gigi behoorde geen sleutel te hebben en des te verrassender was het geweest dat in de uren tussen haar eerste en haar tweede bezoek de kamer was getransformeerd in een ruimte vol met fietsspullen.
Voor Gigi lag de aantrekkingskracht van onze ontmoeting vanzelfsprekend vooral in mijn fiets. Als hij daar eens een stukje op zou mogen fietsen! Vroeg wijs geworden op straat, ontbrak het hem zeker niet aan taktiek, handigheid en bluf. Na het café stelde hij daarom voor dat ik in ieder geval even zijn eigen fiets in hun nieuwe huis kwam bezichtigen. En toen we daar eenmaal waren aangekomen, in een aanmerkelijk aangenamer leefomgeving dan het flatje, behoefde Dorina niet zo heel veel overredingskracht om mij en Gigi toe te staan al mijn spullen te verhuizen. Rond middernacht door een Roemeense achterbuurt spoken, om met een zestienjarig ventje je gehele huisraad te verkassen naar een bloedmooie Latijnse dame: over de stoutste dromen gesproken; maar ik had zelfs niet de tijd om daar bij stil te staan.
Bovendien was dit nog slechts het begin.
Gigi dook na de verhuizing met vrienden de nachtelijke uren in. Dorina had zich intussen omgekleed in een nachtjapon die niet als onverbloemd uitdagend kon worden bestempeld, maar die wel haar mooie lichaamsvormen alle eer aandeed. Het gesprek voor de zwart-wit televisie ging niet over de juist op dat moment uitgezonden EK-voetbalwedstrijd van Oranje tegen Roemenië, maar over allerlei onderwerpen die we maar gedeeltelijk van elkaar begrepen. Dorina's Frans sloot als Latijnse taal nauw aan bij haar Roemeens, maar net als haar Engels had ze het lange tijd niet gebezigd. 'Yes, yes' en gesticulatie vulden de communicatieve leemte vaak op.
De verbale onduidelijkheden maakten het mij ook iets makkelijker om Dorina voor het naar bed gaan een kus op haar voorhoofd te geven.
Eenmaal in het bed op de logeerkamer was er niet een enkele spier die eraan dacht om te gaan rusten. De vele gefietste kilometers leken niet het minste spoor van vermoeidheid te hebben achtergelaten.
Toen na een half uur Dorina langs de openstaande deur liep om naar het toilet te gaan, had ik slechts enkele minuten de tijd (en slechts enkele seconden nodig) om te bedenken hoe ik op de terugweg zou kunnen meelopen naar haar slaapkamer. Gelukkig maakte de juiste woordkeuze ook nu weer niet uit en vooral: Dorina wilde het zelf ook.
Later hebben we nog vaak verhaald over deze ontmoeting op de 29e juni 1998 en over de eerste nacht. De uren op bed beschreven we daarbij altijd als onze meest sensuele, opwindende, seksuele ervaring. Zonder het uiteindelijk te doen. Een voortdurend, oneindig flaneren langs de climax.
Toen het niet lang meer kon duren alvorens de zon zou opkomen, ging plotseling de deur van de slaapkamer open en keek Gigi naar binnen. Op dat moment inderdaad uitsluitend pratend, zei Dorina: 'We konden beiden niet slapen, daarom zijn we hier aan het discussiëren. Kom erbij zitten.'
Slechts enkele minuten schoof Gigi aan op een stoel, waarna de aap uit de mouw kwam: 'Mag ik een stukje op uw fiets rijden?'
Ik was vast van plan geweest om het vervoermiddel dat mij een jaar of langer over de wereld zou moeten leiden, nooit uit te lenen. En ik zou het na deze ochtend ook daadwerkelijk nooit meer doen, nog niet voor een proefrondje waar ik zelf bij stond. Maar nu was dit de meest aangewezen manier om weer alleen met Dorina te zijn, om mijn jacht voort te kunnen zetten. Dus liet ik Gigi begaan.
Bij de meeste fietsen dirigeerde de rechtse handgreep de achterrem; als je deze hard inkneep kon hooguit het achterwiel blokkeren. De voorrem, bij de meeste fietsen bestuurd door de linkse handgreep, moest je eigenlijk nooit bruusk inknijpen want dan blokkeerde je voorwiel, wat vrijwel altijd tot een valpartij leidde, meestal een over-de-kop-vliegen. Bij mijn reisfiets was het echter precies andersom: juist met de rechterhand kon je het voorwiel abrupt doen stoppen. Gigi vergat ik dit te vertellen toen hij vertrok, ik had immers wel wat anders aan mijn hoofd.
Nog geen kwartier later stond Gigi alweer in de deurpost. Ditmaal met een bebloede arm, door Dorina al vlug gediagnosticeerd als gebroken. Hij had willen kijken hoe snel de fiets kon - het snelheidsmetertje zat er niet voor niets op - om daarna te zien hoe lang de remweg was. Daarvoor had hij zo hard mogelijk in de achterrem willen knijpen. Met de afwijkende instelllingen op mijn fiets had dit geleid tot een enorme salto in de lucht en een harde landing op de grond.
Het vroegere wielerinstinct bij valpartijen - eerst kijken naar de schade aan de fiets, daarna pas aan het lichaam - liet zich direct bij me gelden, want ik liep onmiddellijk naar mijn fiets. Deze had opmerkelijk genoeg niet meer schade opgelopen dan een flinke slag in het achterwiel.
Dorina belde in een Italiaans aandoende stortvloed van woorden eerst het ziekenhuis van Haţeg, vervolgens naar haar werk om te zeggen dat ze later zou komen, antwoordde op mijn vraag of er ergens iets te eten was met 'De winkels gaan zo open, daar kun je van alles vinden', en viel vervolgens in slaap.
Ik bleef naast het bed zitten, gebiologeerd kijkend naar haar gesloten amandelogen. Met mijn oorspronkelijke obsessie voor controle en de lange termijn, keek ik verbaasd naar iemand met ogenschijnlijk zo weinig strategie.
Ik had me op 1 juni voorgenomen tot in Iran nergens langer dan een nacht te blijven, waardoor ik zo snel mogelijk de lege ruimte van de woestijn zou kunnen ervaren. Opschieten om te onthaasten, eigenlijk een vreemde paradox. Toen Dorina wakker werd, zei ik haar dat ik nog wilde wachten totdat Gigi terug zou zijn met de uitslag van het ziekenhuis, maar dat ik daarna direct zou doorfietsen. Dit maakte de resterende tijd des te zeldzamer, want het leek onwaarschijnlijk dat we elkaar ooit nog zouden ontmoeten. Het sensuele spel van het net niet, werd daarom onder hoogspanning voortgezet.
Gigi bleek inderdaad zijn linkerarm te hebben gebroken en kwam aan het einde van de ochtend thuis met zijn arm in het gips.
Ik kuste Dorina, murmelde iets van 'Misschien zien we elkaar ooit nog wel eens' en fietste weg richting het Oosten, zoals immers gepland.
Bij het wegrijden dacht ik even dat het mogelijk was om op 35-jarige leeftijd plotseling een avontuurlijke macho te zijn.
Het eerste heuveltje opfietsend kon ik me niet herinneren ooit eerder een nacht zonder een enkele minuut slaap te zijn doorgekomen. Dit liet zich ook direct voelen, want ik stond 'geparkeerd': ik kwam met werkelijk de allergrootste moeite boven. Mijn kortstondige macho-zijn werd aldus heel snel gecorrigeerd.
Bij de eerste kruising kon ik niet anders doen dan mijn reisplan voor de dag wijzigen, nadat ik ervoor zelfs enkele malen even was ingedommeld, iets wat me op de fiets nog nooit was gebeurd. Ik besloot naar Hunedoara te rijden, slechts twintig kilometer van Haţeg.
Hunedoara was waarschijnlijk de lelijkste stad van Roemenië, vol met vervallen industrie, arme achterbuurten en andere communistische erfenissen. Een van die erfenissen bleek het plaatselijke hotel; niet voor niets Rusca geheten. Van de receptie tot aan de bediening in de eetzaal, van de lift tot aan de inrichting van de kamer, van de kamerprijs tot aan de onduidelijkheid op de menukaart: alles ademde een verwaarlozing, een degeneratie en een oneerlijkheid die hoorden bij het post-communisme.
Tijdens het eten schreef ik, zoals meestal als ik alleen aan tafel zat, een brief. Deze keer aan Gerard, want met hem had ik de afgelopen jaren het meest veelvuldig over seks en vrouwen gesproken. Ik sloot af met: 'Ik dreig verliefd te worden, wel het allerlaatste wat ik na amper een maand reizen wil. Maar maak je niet ongerust, I'll manage.' Ik was de baas van Gerard geweest, dus alles moest onder controle lijken.
Eenmaal op bed liggend, kon ik het niet laten. Nog geen zes uren na het afscheid begon ik al te bellen naar Dorina. Ze leek blij en niet eens erg verbaasd bij het horen van mijjn stem, alhoewel ik daar niet helemaal zeker van kon zijn. Onze telefonische communicatie bood, zonder de begeleidende lichaamstaal, nog aanzienlijk meer ruimte aan misverstanden.
Tijdens het telefoongesprek werd me ook nog niet duidelijk dat ik op een van de weinige plekken in Transsylvanië was beland waar het barstte van de muggen. Pas toen de hoorn op de haak lag, zag ik tientallen bulten op alle ontblote delen van mijn lichaam. Mijn klamboe bleek ik niet te kunnen ophangen boven het bed, zodat de enige uitwijkmogelijkheid de grond was. Na ruim anderhalve dag ononderbroken wakker te zijn geweest, konden mijn ogen echter overal dichtvallen, ook op de smerige vloer van een kamer in hotel Rusca.
|